Nog meer mensen

Weer een nieuw internetcafe in Sablayan, met XP ditmaal, weer een nieuw stukje schrijven. Voor zover de apparatuur dat toelaat geeft Lotte jullie bij de andere stukken allemaal een foto-update. Hier nog wat mensen uit de Filipijnen.

De sterke man van Tambaron Island

Na een slechte nacht en een zijspan-bus-bootmannetjes avontuur waarvan er nog vele zouden volgen kwamen we op een mini eilandje aan waar volgens de reisgids niets te doen was. Snorkelen, in een hangmat hangen en uit een kokosnoot drinken. Dat leek ons wel wat en we werden meteen aan het strand al begroet door een Filipijn die met een brede lach mijn tas uit de boot sleurde. “Strong Man!” riep hij en dat neem ik dan maar aan, aangezien de tas ongeveer net zo groot was als hij. Zijn familie runde het resort en inderdaad, meer was er niet op het eiland te vinden. We kozen voor een strandhutje en de strong man hing daar een klamboe op en legde een tapijtje en wat kussentjes in. Dat sliep wat hard, maar dat vergeet je al snel als je vredig in slaap aan het vallen bent met oerwoudgeluiden aan de ene kant en de zee aan de andere kant. Verder was er nog een gekko “gekko” aan het roepen en een dolle geit zijn variaties op “meh” aan het uitproberen. En uiteraard een kippenkolonie waarvan de haan zijn wekker niet helemaal goed had staan. In het nadeel van de uitslapers. Deze idyllische kakafonie werd ongeveer om de vijf minuten wreed aangevuld met het geluid van de waterzuiveringspomp vlak naast ons hutje maar we deden maar even net of we dat niet hoorden.

Daar hebben we twee nachten geslapen en twee dagen gesnorkeld, in hangmatten gehangen en de sterke man voorzag ons van verse kokosnoten. En het eten was paradijselijk te noemen. Alles supervers. Ik geloof dat zelfs vegetariers er uiteindelijk erg van hebben genoten al vond de familie dat wel een wat moeilijk concept.

Er woonden nog wat andere families op het eiland. Net als de sterke man zeer vriendelijke mensen. Veel Engels spreken ze niet maar als ze je een eind de verkeerde kant op zien gaan zijn ze niet te beroerd om je een heel stuk achterna te rennen en je vervolgens een paar honderd meter de juiste richting op te gidsen. Waar we wederom een geheim strand vonden met wederom een vriendelijke vissersfamilie die wel voor ons de boom in wilden klimmen om een kokosnoot te regelen.

We zaten daar met een Roemeens stel en een Israelier die vooral wat lummelden en twee Franse stellen die helaas ongeveer tegelijk met ons vertrokken en ook nog eens dezelfde richting op gingen. We hadden wel langer willen blijven maar het geld was aan het opraken en het dichtstbijzijnde pinautomaat was 60 km. verderop.

De bankbewakers en de krotbewoners in San Jose

Toen we vroeg in de middag San Jose binnenreden gingen we eerst op zoek naar een bank. Elke bank heeft zijn eigen pistolenmannetjes voor de deur staan en die zijn niet te beroerd om je naar een andere bank te verwijzen waar het pinnen vast wel lukt. Er zouden twee banken moeten zijn die maestro zouden moeten accepteren. Een hebben we nooit kunnen vinden al verwees onze navigatie ons naar een heel interessant lokaal straatje waar je allesbehalve een bank zou verwachten, en die er dus ook niet bleek te zijn. De andere bank gaf als verklaring een communicatieprobleem te hebben. We werden vaak doorverwezen naar de China bank. We vinden zelf dat we er niet uit zien als Chinezen maar volgens Filipijnen accepteren die alles als het maar geld is. Hoewel we al snel een bijzonder vriendschappelijke band hadden opgebouwd met de betreffende bewaker bleek dat niet zo te zijn. Uiteindelijk heb ik geld uit de muur gehaald met mijn creditcard waarvan ik wonderbaarlijkerwijs de pincode nog bleek te weten. Maar toen hadden we al een kamer geboekt in een hotelletje omdat het al te laat was geworden om nog verder naar Sablayan te trekken.

Toen we met zakken vol geld naar het hotel wandelden maakten we nog een absoluut hoogtepunt mee. We besloten namelijk ergens links af te slaan waar we makkelijker rechtdoor hadden kunnen lopen en zo belandden we in een krottenwijk. Nu ontstijgt de normale Filipijnse woning het concept “rieten hut” niet vaak maar hier was de wanorde wel erg groot en waren de mensen wel erg vrolijk. Dat is niet cynisch bedoeld: iedereen vond het geweldig zo’n blank gezicht te zien en groette vol enthousiastme terug. Al snel hadden we een hele stoet kinderen achter ons aan die “Hello! Hello! Whats your name?” riepen omdat dat de enige zin was die ze in het engels kenden. Misschien dat ze nu, door onze pogingen, wat meer zinnetjes hebben bijgeleerd. Ze waren niet aan het bedelen, ze waren aan het spelen en wij waren een geweldige attractie.

En toen waren we weer in het hotel. Hee, wat zijn dat trouwens voor een leuke nurkse Franse mensen daar?

De Mangyan rond Sablayan en de ijscoman

Sablayan is weer een ander kustplaatsje. We werken ons langzaam omhoog op het eiland Mindoro. Vanaf hier is een eilandje te bereiken dat net zo pittoresk schijnt te zijn als Tambaron. Het heet Pandan 2 en is volgens ons toeristischer maar dat gaan we morgen zien.

Want we wilden eerst een paar dagen in Sablayan zelf rondhangen. Dus we zochten een slaapplek en hoewel het bejaarde zijspanmannetje niet wist waar Gustafs Place was stond hij er op ons langs te brengen. Na 2x de weg vragen en alsnog hopeloos verkeerd rijden dropte hij ons in het midden van nergens, aan de oever van een stinkend watertje met aan de overkant een boot en een poort: “Welcome to Gustafs Place”. En weg was het mannetje, ons verbouwereerd achterlatend. De buurtbewoners vonden het ook ietwat mal. Om ons te helpen riepen ze naar de overkant maar er was geen reactie. We mochten wel bij ze wachten tot Gustaf thuis kwam. Maar wij zijn weer vertrokken met het volgende zijspanmannetje. Eerst naar de Garden of Eden wat weer twee kilometer terug langs de weg lag en alleen nog maar een grote dure kamer had en toen zijn we zelf maar gaan lopen naar “Feliz del mar” waar we nu in een klein hutje zonder airco en een gekko in het dak slapen. Het is er heerlijk rustig en we horen de zee. De ideale uitvalsbasis voor een expeditie het binnenland in.

De mensen van het ECO tourism center doen net alsof ze van alles weten. Het ziet er voor Filipijnse begrippen ook netjes uit daar. Maar ze sturen je wel mooi het bos in. Dat zou letterlijk zijn als het niet om een oerwoud ging in plaats van een bos.

We zouden een gids krijgen als we in een bepaald dorp naar een bepaald gebouw zouden gaan. We moesten wel wat permits betalen om in het reservaat en natuurgebied te mogen waar een waterval en een groep Mangyan was. Die laatste zijn de oorspronkelijke bewoners van het eiland. De busmannetjes en zijspanmannetjes hebben weer mooi aan ons verdiend. En in dat gebouwtje waar de gids zou zijn werden we na een vrolijk gesprek met geinteresseerde mensen en het betalen van 20 pesos weer de deur gewezen. Nu kunt u gaan. Naar de waterval? Ja hoor, ga maar. Maar hoe komen we daar? Met het zijspanmannetje natuurlijk!

Die stond ons vrolijk lachend op te wachten en zette ons vijf minuten later langs de kant van de weg af. Hij wees naar een pad. Ga maar lopen. Tot zover onze gids.

Eerst vonden we de Magyans. Rieten huisjes en zingende mensen. Gewoon aan het doen wat ze normaal doen. Kinderen spelen, een enkele ouder bezig met dorsen of houtsnijden. Meestal vrij normaal gekleed. Ik had de indruk dat de kinderen ons meer een bezienswaardigheid vonden dan andersom. Het was wel mooi om te zien maar we hebben ons niet al te veel met ze bemoeid. Ik weet het niet zeker maar volgens mij hebben we wel minimaal twee missiewerkers gezien.

De mini-jungle trekking zonder gids naar een half drooggevallen waterval was vooral leuk omdat we besloten dat dat niet alles kon zijn en lekker eigenwijs doorgewandeld zijn. Terwijl wij nietsvermoedend door de jungle wandelden werden we ongetwijfeld begluurd door spinnen, slangen, schorpioenen, krokodillen, leeuwen en buitenaardse wezens maar ze hebben ons met rust gelaten.

Voor we op de bus terug konden stappen werden we nog bediend door een ijscomannetje die ons aan de praat hield met een stroom aan woorden in zijn eigen taal met af en toe een engels woord. Dat hij “Harry Potter” liet vallen verbaasd me allerminst. Waar we wel door verrast werden was zijn handelswaar. Een ijshoorntje? 5 pesos. En toen haalde hij een kadetje te voorschijn. Jawel, dames en heren, een broodje ijs voor 10 pesos. Hij maakte het zelf, in de kleuren paars en wit en het was nog lekker ook.

3 gedachten over “Nog meer mensen

  1. Hé lieve Lot en Sip,
    Wat een avonturen! Heel erg leuk om te lezen! En de foto’s zijn ook super, Lot 🙂 alleen de foto ‘a la Lotte’ moet nog komen, denk ik? :p
    nog veel plezier daar! xxx Hes

  2. Hoi sipke en Lotte,
    Wat een geweldige avonturen…
    Dat beleven wij niet in het koude en natte Nederland!
    Geniet ervan! We zijn benieuwd naar de volgende avonturen en foto’s!

  3. Hoi Lotte en Sipke
    Wat leuk dat jullie ons laten meegenieten van de reis door zulke uitgebreide reisverslagen te maken en mooie foto’s. Wat heerlijk lijkt mij die hangmat en kokosnoot aan de kust. Geniet verder van jullie reis en Piet en ik zijn benieuwd naar jullie verdere avonturen. Liefs Saskia

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.